AnnieS

Ik mis vroeger

Vroeger, dat nog niet eens heel erg lang geleden is, was alles veel fijner en mooier. Het is niet dat ik de tijd waarin ik nu leef niet waardeer, maar het is denk ik precies andersom: men waardeert de kleine dingen niet meer, denkt meer in grote lijnen en aan later in plaats van aan nu. ‘Morgen gaan we dit doen, met de zomer gaan we dáárheen, en in het weekend is híer tijd voor’, etc. Daarnaast zien mensen de schoonheid van de natuur en het mens-zijn niet (goed) meer, nee, in plaats daarvan wordt er in termen van ‘alles moet groter én beter’ qua spullen, gadgets, snuisterijen, vakanties e.a. gedacht. Dat is zo’n doodzonde, vooral omdat de mensen die er eigenlijk niet aan willen meedoen, wel genoodzaakt zijn om met de tijd mee te gaan. In groten getale verandert de mens van een rustige en pure persoonlijkheid, die geniet van het nú in een hard en ongevoelig persoon, die alleen om zichzelf en zijn bezit geeft. En omdat er steeds minder mensen zijn die zich verenigd en verbonden voelen met elkaar (denk aan: niet meer groeten op straat, de deuren gaan op slot ook al is het hartje zomer, men houdt zijn tas angstvallig dicht tegen zich aan en ga zo nog maar even door), groeit de maatschappij uit elkaar.

In 1990, ik was toen 9 jaar oud, ging ik in de zomer vaak een weekje of 2 bij opa en oma logeren. Tussendoor speelde ik ’s avonds laat op straat met de buurtkinderen, en bakte mijn moeder voor iedereen patat. Dat aten we dan op in de tuin, onder het genot van grote glazen limonade of melk. Iedereen maakte een praatje met elkaar, zorgen waren er niet. Of, die waren er misschien wel, maar ze waren reëler dan de zorgen die men nu heeft.

De zomers waren aangenaam, soms wel heet, maar de bomen boden genoeg schaduw en er waaide altijd een heerlijk koele bries. De lucht was schoon en helder en er was amper smog.

Ik herinner mij de liefde die ik kreeg, hij was onvoorwaardelijk. Ik kon gewoon doen waar ik zin in had, en ondanks mijn doofheid werd ik geaccepteerd, hoorde ik er gewoon bij. Op straat was iedereen gelijk, en niemand wist beter of Anne van Karveel 46-59 haar oortjes deden het niet. Maar wat maakte dat uit? Ze was gewoon Anne. Ze deed gewoon mee. Ze was niet slechter in tikkertje, of minder handig met touwtjespringen. Ze was alleen doof. Niets meer en niets minder.

We gingen ook wel eens op vakantie naar Ameland. Dan bleven we drie weken en hadden we de tijd van ons leven. Omdat we verbleven in de pastorie van mijn tante, die ondertussen met vakantie ging, was het net of we er zelf woonden. Het contact in en met de buurt was goed, ook daar hoorden we erbij. De tuin was gigantisch groot, je kon er gemakkelijk verdwalen. En de huiskatten Gabby en Micha deden ook gewoon wat ze altijd al deden. Iedereen was gelukkig. Het strand was op minder dan een kilometer afstand, en de vuurtoren lag nog iets verderop. Als ik ’s nachts niet kon slapen, deed ik het gordijn van mijn kamer open, en keek ik vanuit mijn bed naar het licht van de vuurtoren dat net boven de huizen uitkwam en mij in slaap wiegde. Het was zó tijdloos, zó heerlijk gewoon.

Heden nu
Het is winter en ik loop naar huis nadat ik net uit de bus gestapt ben die mij vanuit de stad naar mijn wijk terugbracht. De wind giert en loeit, alsof hij me waarschuwt voor naderend onheil. Ik loop voorbij een rijtje huizen en probeer een glimp op te vangen van het geluk dat ik nog ken van vroeger. Overal zijn echter de gordijnen dicht, of men heeft een deel van het raam afgeplakt met ondoorzichtig plakplastic, opdat men niet kan zien hoe zij leven en wat zij doen. Privacy gaat nu boven openheid, vrijheid. Van de sfeer in huis die je vroeger overal kon zien, zie je nu bijna niks meer terug. Hier en daar zie ik lichtjes, en een enkele kerstboom, die je doen helpen herinneren dat het kersttijd is. Maar daar is alles ook mee gezegd, de wijk heeft geen uitnodigende sfeer meer, niet zoals toen.

In één huis kan ik goed zien wat er zich afspeelt. Een gezin zit ouderwets gezellig met elkaar aan tafel te eten, zonder dat te tv aan is, of zonder dat pa er weer eens niet is omdat zijn werk hem dat verhinderde. Je ziet een stukje verleden terug, en dan weet je weer wat je zo mist. Die eensgezindheid, het samen eten aan tafel, het praten met elkaar en het vergeten van de rest van de wereld. Dat je op de achtergrond een grote LCD tv ziet, en voor de deur een Hummer, dat neem je maar voor lief. Want het gevoel dat je bij deze mensen op afstand kan waarnemen, de emoties die aan hun gezichten zijn af te lezen, die zijn nog puur. Die zijn niet veranderd, zoals alles tegenwoordig wel doet.

Ik ben thuis en loop naar binnen. Ma zit achter de computer, pa zit aan de eettafel te rommelen. Ik werp er één blik op en vind het zonde dat we zoveel stoelen hebben en zo’n grote tafel, maar er geen gebruik van maken. Niemand eet nog samen, ieder doet zijn eigen ding. Meer dan eens hebben we geprobeerd om de gewoonte om samen te eten er in te houden, maar het lukt niet meer. De motivatie en het inzicht, waarom het goed zou zijn, ontbreken. Het huis is groot genoeg voor ons allemaal, maar te klein om ieder ons eigen privacy te hebben.

Een paar dagen eerder vierde ik kerst bij de ouders van Remco. Met zijn zevenen zaten we aan tafel, te gourmetten. Voordat we begonnen sprak Remco’s vader een gebed uit, zoals hij altijd al deed. Ik voelde me warm en veilig en genoot van het samenzijn. Er was geen sprake van haast, of ongeduld. Iedereen was bij elkaar en dat telde, meer was er niet nodig. De tijd stond stil. Na het eten werd er gedankt en werd de tafel ook weer door iedereen afgeruimd, waarna een paar in de woonkamer gingen zitten uitbuiken, en ik met de zussen van Remco aan tafel ging puzzelen. Even voelde ik weer die hartstocht van vroeger, die verbondenheid die ik bij mijn eigen familie mis.

Vrijheid is goed, het is een onmisbaar iets wat iedereen nodig heeft om te ademen, om te gaan en staan waar hij wil, en om voor zichzelf te kunnen denken en spreken. Maar als men de teugels teveel laat vieren, gaat de boel ook sneller op hol. Ik mis de structuur in ons gezin, de tijd waarin we nog dingen met elkaar deelden. Ik mis het samenwerken, het eensgezinde gevoel.

Op straat, buiten onze huizen zie je daar ook heel veel van terug. Men neemt de vrijheid wat te letterlijk op, er worden meer misdaden gepleegd, men is brutaler en deinst nergens meer voor terug. Respect ontbreekt alom, en verbitterdheid groeit met de tijd mee. Je zou bijna kunnen zeggen dat er niet meer sprake is van een cultuur waarin we met elkaar leven, en tradities delen, maar eerder dat er een éénmanscultuur is, waarin het ieder voor zich is, en we slechts de taal en de wet met elkaar delen. En zelfs die wet wordt overtreden.

Maar waar is de wet van gedragingen gebleven? De ongeschreven wetten die ons met elkaar verbonden, omdat we het ooit, jaren geleden vanaf het begin toen de mensheid nog niet zo lang bestond, normaal vonden om elkaar met respect te behandelen? Om je familie te eren en je naaste lief te hebben? Waar is de solidairiteit gebleven? En, niet nog minder belangrijk: waarom heeft het materiële plaatsgemaakt voor geluk? Wat betekenen spullen nou echt, als je elkaar hebt? Natuurlijk, ze zijn mooi, ze geven een toegevoegde waarde aan ons bestaan, het vergemakkelijkt ons leven, het is een leuke luxe. Maar is het duurzaam? Is het onvervangbaar? Is het iets van onschatbare waarde? Nee.

Ik mis de zomer van ‘90…die goeie ouwe tijd, toen alles nog een beetje normaal was.


Reageren? Log dan nu in of maak een nieuw account.

Login     Maak een nieuw account